Anno nu, maart 2019

Soms drukt het puntje van je pen op het gezwel.

“Wellicht is het Nederland dat zich vanaf 2002 liet zien een gevolg van het onuitgesproken cordon sanitaire dat NSB’ers vanaf ’45 werd omgedaan. Het fusilleren van de kopstukken, het verbieden van de partij, het overwinnen van de Duitse vijand en het kaalscheren van de vrouwen die met het uitschot het bed hadden gedeeld kon niet alle rotte angels verwijderen. Hun kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen dragen de schaamte en de pijn met zich mee.
En zoals het al eeuwen gaat in de cycli van het leven: het nageslacht zorgt dat de woorden van voorouders weer worden gehoord. Het slaat meestal een generatie over, weet ik uit mijn praktijk als familieopstellingen-begeleider: kinderen zetten zich af tegen hun ouders maar zijn loyaal aan de generatie daarvoor.
Twee generaties terug was alles links en anders, en wat we vanaf 2002 meemaken is dat wat de Hongaarse psychiater Boszormenyi-Nagy ‘intergenerationele solidariteit’ noemt.
Nagy: ‘Als loyaliteit wordt ontkend of gerelativeerd kan het ondergronds of onzichtbaar worden. Het wordt dan een verborgen kracht en kan zo schade veroorzaken aan een nieuw gekozen vorm of relatie.’
Zelf noem ik dat voorouderlijke loyaliteit. Je hoeft je voorouders namelijk niet eens gekend te hebben om loyaal aan ze te zijn.
Ja, soms voel ik me om de tuin geleid en zelfs misleid door het open, tolerante, iedereen-is-hier-welkom-imago dat het Nederland van de jaren tachtig zo hoog in het vaandel had. Het was van goede wil. En écht en gemeend toen.
Maar het was niet in een ware lands-identiteit gefundeerd.
Het was niet écht het blazoen van Nederland.
Ik vrees dat het echte blazoen van Nederland is wat we nu te zien krijgen: in de basis koloniaal.”

Fragment uit mijn meest recente essay in briefvorm ‘Over waar de moedervogel haar nest bouwt’, verschenen in de bloemlezing Ik, moeder bij Meulenhoff
– verschenen op 19 maart 2019

Geef een reactie
Pagina's:«1234567...147»