Hoop

Na het zeker weten volgt de twijfel, als altijd.

Ga ik wel of niet naar de uitvaartdienst van mijn tante?
‘Je achternicht.’, corrigeert vriendin Maartje me.
Ik reageer geprikkeld. Ze is inderdaad mijn achternicht, maar ze voelt toch als een tante.
En ze was, net als ik, dol op taal en op mijn oma.
Ze woonde zelfs een tijdje bij mijn oma in, en ze kwam vaak op visite tot mijn oma stierf.
‘Misschien moet je jezelf beschermen en niet gaan.’, zegt Maartje.
‘Jij, die zo spiritueel bent, weet toch als geen ander dat de dode zelf daar niet meer is. Haar ziel wellicht, maar niet het totaalwezen wat ze was.’
Die komt binnen.
Dan geeft ze me de laatste mokerslag: ‘Waarom wil je eigenlijk gaan?’
‘Waarom niét?’, denk ik.
Het leven met NAH (Niet Aangeboren Hersenletsel) is een ander leven dan het leven daarvoor.
De rit Amsterdam-Beringen (en terug) zal me afmatten en zeker twee dagen herstel kosten.
De obligate gesprekken bij de koffietafel ook.
Natuurlijk zal het me goed doen mijn neven te zien: achterneef Ronnie, zijn zoons Pieter en ook de tweeling Jasper en Joris die ik alleen als babies zag, maar die nu volwassen mannen zijn.
En het zal me een heel goed en voldaan gevoel geven dat ik me alle moeite getroost heb te gaan.
‘Jij bent het kind dat het goed doet, is dat de drijfveer?’, vraagt Maartje en legt de vinger op de zere plek,
strooit het zout in de wonde.
Mijn aloude drang het goed te doen.
Daarom wil ik 2,5 uur in de auto heen en 2,5 uur terug.
‘Inclusief daarna nog twee a drie dagen uitgeput liggen nahijgen?’
‘Het hoort’, vind ik.
Naar de begrafenis gaan.
En ik ben dol op rituelen. Al mijn hele leven lang.
Ze geven zin en vorm aan het onuitsprekelijke.
Ik geloof heilig in de helende kracht van collectief troosten en rouwen, samen zijn.

Tijdens het laatste samen zijn met mijn tante Wittie en haar broer Ronnie,
werd ons door de gesprekken over de Beks-familie duidelijk
dat wij verbonden waren/zijn
door een disfunctionele familie.
Er waren/zijn zoveel dingen die ik niet wist, die zij niet wisten.
Een familie die als los zand aan elkaar hangt.
Een familie die elkaar al jaren niet meer ziet…
Tante Wittie leefde al jaren alleen.
Ze zorgde goed voor geest,lijf en leden, en wat haar onderscheidde was
haar precisie en zorgzaamheid.
Ik doe tante Wittie het meeste eer aan
als ik haar crematie aangrijp, om beter voor mezelf te zorgen, besef ik plots.
Tante Wittie was getrouwd met poëzie.
Voordracht was haar leven en haar lust.
Om 10.30u, als de dienst begint,
speel ik Mozarts Lacrimosa,
brand ik kaarsen op mijn huisaltaar,
en lees ik in stilte Rutger Kopland.
Of nog beter: lekker chauvinistisch alleen maar Vlaamse dichters.
Claus en De Coninck.
Hardop.

Een bos bloemen erbij.
Of nog veel beter: een plant die ik dan naar haar vernoem.
Bloemen gaan dood, planten blijven leven.
Zo blijft er altijd een deel van de tante die mijn voorbeeld was als kind,
bij mij, hier, in het meer dan dichterlijke Amsterdam.
Samen met de glimp en de hoop op een ander leven.
Dat was wat zij me als kind gaf, als ze op visite kwam.
Ze bracht een andere wereld mee.
Een wereld van theater, tv – ze presenteerde een tijdje Voor Boer en Tuinder op de BRT-
dictie om U tegen te zeggen én rijke taal.
Hoe zeg je zonder al te sentimenteel te klinken:
Zij gaf me de hoop op een leven dat anders was.
Een glimp van, een kier naar, een zicht op…
dat er ook voor gewoon volk zoals wij Beksen,
een ander leven mogelijk was:
een leven met, in en van kunst.

Geef een reactie